1. Inleiding
Het Rode Kruis is verantwoordelijk voor het inzamelen van bloed. Jaarlijks zijn er ongeveer 350.000 zakjes vers bloed nodig. Bijgevolg is men steeds op zoek naar nieuwe bloedgevers. Ben jij ouder dan 18 jaar? Waarom zou je er dan niet eens over nadenken om zelf bloedgever te worden?! ... In dit dossier vind je alleszins een eerste antwoord op enkele vragen, maar voor uitgebreide informatie over bloed geven (en ook plasma of bloedplaatjes geven) verwijzen we door naar de site van het Rode Kruis. Dit dossier kwam tot stand dankzij de toestemming en met de informatie van het Rode Kruis: http://www.rodekruis.be/.
terug naar boven
2. Bloed geven
2.1. wat
Gemiddeld heeft een gezonde, volwassen persoon zo'n 4 tot 6 liter bloed, afhankelijk van zijn gewicht. Een vuistregel zegt dat een mens ongeveer één dertiende van zijn lichaamsgewicht aan bloed heeft. Bij een bloedafname geef je 7,5 ml bloed per kilogram van je lichaamsgewicht. Het maximum dat je geeft is echter 500 ml. Kan je dat bloed wel missen?
Ja zeker. Onmiddellijk na de bloedgift maak je nieuwe bloedcellen aan.
terug naar boven
2.2. Hoe verloopt het?
Een bloedinzameling gaat steeds door in aanwezigheid van een dokter. Hij overloopt samen met jou de medische vragenlijst en beslist na een kort medisch onderzoek of je in aanmerking komt om bloed te geven. Dan ga je liggen op één van de bedden. De dokter of verpleegkundige legt een knelband aan rond je arm, geeft een prikje met een steriele naald en je bloedgift begint. Als je dat wenst, krijg je een knijpballetje, zodat je bloed sneller naar het bloedafnamezakje stroomt.
Bloed wordt enkel afgenomen door speciaal opgeleid personeel. Zij gebruiken steriel materiaal dat alleen voor jou bestemd is. Bloed geven is dus absoluut veilig.
Na de afname krijg je een drankje en kan je even rusten. Daarna kan je gewoon doorgaan met wat je bezig was: werken, studeren, winkelen ... Het is dus een fabeltje dat je geen deeltje van je bloed kan missen. Je lichaam begint na de bloedgift onmiddellijk nieuwe bloedcellen aan te maken.
We bouwen trouwens een extra zekerheid in. Je dient na elke bloedgift minstens twee maanden te wachten vooraleer je opnieuw bloed geeft. Per jaar kan je maximum vier maal bloed geven, maar laat hierover geen misverstand bestaan: het is niet zo dat je na een bloedgift verplicht bent om opnieuw bloed te geven. Je bent volledig vrij om terug te komen of niet.
terug naar boven
2.3. Wie kan bloed geven?
Er zijn enkele voorwaarden waaraan je moet voldoen.
- Je moet tussen de 18 en 65 jaar zijn en gezond.
- Bovendien mag je geen risicogedrag voor AIDS vertonen.Bij een bloedinzameling bekijken we jouw persoonlijke gegevens in alle discretie. Stel bijvoorbeeld dat enkele vrienden naar een bloedinzameling gaan. Bij het lezen van de AIDS-infofolder herkent één van hen zich in het beschreven risicogedrag. Door sociale druk wil hij toch bloed geven. Om dergelijke gevoelige situaties op te vangen, krijgt elke bloedgever een 'bloedbestemmingsformulier', waarop hij kan vermelden of hij al dan niet een risicogedrag vertoont. Het formulier is anoniem en heeft enkel een nummer, gelijk aan het donatienummer van het bloedzakje. Na de bloedgift wordt het formulier gecontroleerd door een bevoegde medewerker.
terug naar boven
2.4. Waar kan je bloed geven?
Het Rode Kruis komt naar je toe. Het bloedtransfusiecentrum organiseert samen met de plaatselijke rodekruisafdeling elke drie maanden een bloedinzameling in je buurt. Om de plaatsen en data te kennen van de volgende bloedinzameling in jouw buurt, kun je de website van het Rode Kruis raadplegen en zoeken op basis van plaats of datum!
terug naar boven
2.5. Veiligheid
Het Rode Kruis ziet er streng op toe dat de bloedeenheden en bloedproducten beantwoorden aan de hoogste eisen qua veiligheid en kwaliteit. Vrijwillige en niet-vergoede donors vormen de belangrijkste basis voor de veiligheid van de bloedtransfusies in ons land. Donors komen uit vrije wil en met de bedoeling anderen te helpen door hun gift. Zij worden niet geleid door financiële motieven en zullen daarom géén belangrijke informatie achterhouden. De wet van 5 juli 1994 benadrukt eveneens het vrijwillig niet en niet-vergoede karakter van de giften.
Het Rode Kruis informeert de donors op het moment dat deze zich aanbieden als donor. De donor krijgt, samen met de medische vragenlijst, een uitgebreide folder 'Informatie over AIDS voor bloedgevers, plasmagevers en bloedplaatjesgevers'. Er wordt uitdrukkelijk aan de donor gevraagd om géén bloed te geven als zij een risicogedrag voor AIDS vertonen.
Om sociale druk bij donors uit te sluiten, krijgt elke donor een 'bloedbestemmingsformulier' waarop hij kan vermelden of hij al dan niet een risicogedrag vertoont. Het formulier is anoniem en heeft enkel een nummer, gelijk aan het donatienummer van het bloedzakje. Dit formulier steekt de donor in een speciaal daarvoor bestemde bus, die pas na de bloedinzameling wordt geopend door een bevoegde medewerker. De bloedgiften van donors die op het bloedbestemmingsformulier JA aangeduid hebben worden onmiddellijk vernietigd.
Elke donor moet bij iedere gift een uitgebreide medische vragenlijst invullen. De antwoorden geven een beeld van de gezondheid van de donor en dienen eveneens om elementen naar boven te brengen die risico voor overdracht van aandoeningen inhouden (bv. tatoeage, ...).
Verder brengt de donor een bezoek aan de arts voor een anamnese en een kort medisch onderzoek. Een uitgebreid handboek 'medische donorselectiecriteria' vormt de basis om de donorselectie op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren. De enige reden voor het voorschrijven van strenge donorselectiecriteria is het waarborgen van de veiligheid van bloed. Het feit dat het aantal donors dat seropositief wordt bevonden voor HIV in België zo laag is (minder dan 1 op 100.000 donaties) is te danken aan de medewerking van personen die risicogedrag vertonen en zich om deze reden niet aanbieden om bloed te geven.
terug naar boven
3. Geschiedenis
3.1. Van de préhistorie tot ongeveer 200 jaar geleden
Bloed is doorheen de geschiedenis steeds van groot belang geweest. Primitieve stammen kenden reeds twee zeer gebruikelijke geneeskundige technieken: schedelboring en aderlating. Ook bij de Egyptenaren (1500 v. Chr.) is er een papyrusrol met sprake over 'kennis en werking van het hart, met een netwerk van strengen en kanalen naar alle delen van het lichaam'. Verstopping van die kanalen kon oorzaak zijn van ziekte, dacht men. Bij de Grieken (tussen 500 en 200 v. Chr.) was het verschil tussen aders en slagaders reeds gekend. Ze meenden wel dat de twee van elkaar gescheiden waren, maar toch werd er ook al een stapje gezet in de richting van de bloedsomloop. Pas 14 eeuwen later zouden bepaalde ideeën van de Grieken teniet gedaan worden ... De belangstelling voor het functioneren van het menselijk lichaam en voor de biologie in het algemeen was groot in de zeventiende eeuw. Zo ontdekte William Harvey in 1628 de bloedsomloop.
De eerste bloedtransfusies die gebeurden, waren van dier op dier. Later van dier op mens.
terug naar boven
3.2. Doorbraak: van mens op mens
Een nieuwe start in het bloedtransfusieverhaal kunnen we situeren in het begin van de 19de eeuw. De Engelse verloskundige James Blundell voerde in die periode verscheidene transfusies uit. Na uitgebreide dierexperimenten begon hij in 1818 met transfusies bij mensen. Hij ontwikkelde een apparaat, waarmee hij bloed kon opzuigen uit een ader van de donor en weer inspuiten in een ader van de patiënt. Een ruime verspreiding van de techniek werd tegengegaan door problemen zoals veelvuldige transfusiereacties en stolling van het bloed tijdens de transfusie. De redenen voor transfusiereacties zijn vooral toe te schrijven aan het feit dat men nog niet op de hoogte was van het bestaan van bloedgroepen, maar ook aan de aanwezigheid van onzuiverheden en bacteriën in het toegediende bloed. Men kon pas starten met het steriliseren van de instrumenten en het toepassen van aseptische technieken in 1865, toen de Fransman Louis Pasteur aantoonde dat bacteriën de oorzaak waren van ontstekingen.
terug naar boven
3.3. Directe methode
Tegen de eeuwwisseling paste men de directe transfusie toe. Daarbij werd het bloed van de aders van de donor in deze van de ontvanger overgebracht. Het was dus noodzakelijk dat de donor zelf aanwezig was bij het uitvoeren van de bloedtransfusie.
Deze methode had als voordeel dat infectie en stollingsproblemen werden teruggedrongen. De directe methode vereiste een grote chirurgische vaardigheid en een uitgebreid team om een dergelijke vaatoperatie te verrichten en dit voor een transfusie van slechts enkele minuten.
terug naar boven
3.4. Indirecte methode
De Belg Hustin ontdekte in 1914 dat bloed niet begon te stollen als men er natriumcitraat aan toevoegde. Bij de indirecte methode wordt het afgenomen bloed in een open glazen beker opgevangen en gemengd met een natriumcitraatoplossing.
Heel belangrijk hierbij is dat bloed hierdoor bewaard kon worden. Zo was de directe bloedtransfusie van ader naar ader in principe niet meer nodig.
terug naar boven
3.5. Bloedgroepen
Aan het begin van de 20ste eeuw vormden transfusiereacties door incompatibel bloed nog steeds een probleem. Rode bloedcellen van sommige mensen bleken te klonteren tijdens contact met het serum van anderen. In 1900 vermengde de Weense dokter Karl Landsteiner bloedcellen en serum van zichzelf met anderen om te achterhalen bij welke combinaties de bloedcellen samenklonterden en bij welke niet.
Op basis van deze agglutinatieproeven kwam hij tot de vaststelling dat het menselijk bloed in drie groepen kon worden verdeeld: A, B en O. De relatief zeldzame bloedgroep AB werd pas later ontdekt. Door de ontdekking van de bloedgroepen was bloedtransfusie een relatief veilige ingreep geworden.
terug naar boven
3.6. Bloedbank
Bloedtransfusie was nu makkelijk uitvoerbaar. Expansie bleef niet uit en werd versneld door de Eerste Wereldoorlog. Nabij het Belgisch front functioneerde in 1917 de eerste bloedbank ter wereld onder leiding van een Canadese geneesheer, dokter O.H. Robertson.
Na de oorlog raakte de aanwending van gecitrateerd bloed opnieuw in onbruik. Koortsreacties kwamen bij ongeveer 50% van de indirecte transfusies voor.
De Spaanse burgeroorlog (1936-1939) bewees het nut van bewaard bloed. Door de heropleving van het gebruik van citraat na 1930 en de vooruitgang inzake kiemvrije bewaring van bloed ontstonden nieuwe mogelijkheden.
Bloedcellen konden bezinken, al dan niet door centrifugeren, en gescheiden worden van het plasma. Men kon dus beide bestanddelen apart toedienen. Plasma bleek bruikbaar voor hypovolemische shock en was in sommige gevallen handiger in gebruik als het door middel van een vriesdroogprocédé kon worden omgezet in een poeder dat aan kamertemperatuur langdurig stabiel bleef.
terug naar boven
3.7. Eerste bloedtransfusiecentra
Vlak na de Eerste Wereldoorlog werd de bloedtransfusie erkend als onvervangbare therapie in de geneeskunde. Dit was hoofdzakelijk te wijten aan de ontdekking van de bloedgroepen en de vooruitgang van de transfusietechnieken. Steeds meer geneesheren gingen bloedtransfusies toepassen.
Dit veroorzaakte één probleem: de behoefte aan donors. Dit werd opgelost door de rodekruisverenigingen. Zij zouden vanaf dan instaan voor de tot op vandaag belangrijke taak, namelijk het werven van donors.
Vanuit die optiek richtte het Britse Rode Kruis van Londen onder leiding van Sir Olivier Perey in 1921 een bloedtransfusiedienst op. Men kan deze dienst beschouwen als het eerste bloedtransfusiecentrum. In die periode bestond een centrum voornamelijk uit een fichebestand met namen van vrijwilligers en hun respectievelijke bloedgroep. Het was de bedoeling dat iedere dringende oproep voor een bloedgift kon worden beantwoord door een donor met de vereiste bloedgroep ter plaatse te sturen. Zo gaf de donor zijn bloed rechtstreeks aan de patiënt. Ongeveer tien jaar later telde de dienst zo'n 2 000 donors.
Deze opmerkelijke resultaten inspireerden de andere rodekruisverenigingen zodat er in vele landen navolging kwam. In 1930 zagen de bloedtransfusiediensten in Nederland en Spanje het licht. In 1933 volgden Australië en Noorwegen en in 1934 was België aan de beurt.
terug naar boven
3.8. Bloedbesparende technieken
Voor of tijdens een operatie kan men bloedcellen van een patiënt afnemen om het bloedverlies te beperken en ze nadien teruggeven. Patiënten die een geplande ingreep ondergaan, kunnen voor zichzelf 3 tot 4 zakjes bloed geven (autotransfusie). In sommige gevallen kan men met behulp van bepaalde toestellen bloed uit het operatieveld zuiveren en opnieuw via transfusie toedienen.
terug naar boven
3.9. Toekomst
Algemeen wordt verwacht dat de dalende tendens in de vraag naar bloed zich zal blijven voortzetten. De daling zal echter niet met spectaculaire sprongen gebeuren, maar zal zich geleidelijk manifesteren. De verklaring voor de verminderde vraag is eenvoudig: artsen en chirurgen hanteren steeds verfijndere operatietechnieken zodat er per patiënt minder bloed nodig is.
Niettemin blijft de Dienst voor het Bloed van het Rode Kruis elk jaar nog meer dan 350 000 bloedzakjes nodig hebben. Daarom blijven bloedgevers uiterst belangrijk.
terug naar boven
4. Meer info
- Een antwoord op een concrete vraag over bloed geven?
- Meer historische achtergronden van het bloed geven?
- Informatie over plasma geven, bloedplaatjes geven of stamceldonatie?
- Informatie over aids en bloed geven?
Kortom: een zeer uitgebreide informatiebron voor al je vragen vind je op de site van het Rode Kruis: op de startpagina http://www.rodekruis.be/ doorklikken op de rubriek 'Bloed geven, waar en wanneer'.
terug naar boven
|